mobilité
Uiterlijk
- geattesteerd sinds ca. 1200 als Oudfrans mobiliteit, geleend van Latijn mobilitas, een afleiding van Latijn mobilis [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| mobilité | la mobilité | mobilités | les mobilités |
mobilité v
- mobiliteit; het mobiel zijn
- (militair) het makkelijk voorbereid zijn om snel tactische bewegingen uit te voeren; het mobiel [3] zijn
- beweeglijkheid
- veranderlijkheid; het makkelijk veranderd kunnen worden
- ↑ mobilité (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.