mistig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van mist met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mistig mistiger mistigst
verbogen mistige mistigere mistigste
partitief mistigs mistigers -

Bijvoeglijk naamwoord

mistig

  1. met mist, met beperkt zicht door mist
    • Een kille mistige novemberdag. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.