Naar inhoud springen

misselijk

Uit WikiWoordenboek
  • mis·se·lijk
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen misselijkmisselijkermisselijkst
verbogen misselijkemisselijkeremisselijkste
partitief misselijksmisselijkers-

misselijk

  1. tot braken geneigd
    • Ik heb te veel kersen gegeten, waardoor ik misselijk ben. 
     Thea is een beetje misselijk en zet het op een drafje om de grote passen van haar tante bij te houden.[4]
     Ik at er zoveel dat ik misselijk werd en binnen de kortste keren last van mijn maag kreeg.[5]
  2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar
    • Wat een misselijke streek is dat! 
     Omdat ze misselijk wordt bij de gedachte aan de inhoud wil ze het eigenlijk niet eens oprapen, maar omdat niemand in haar familie het mag zien, schudt ze zichzelf wakker en stopt ze het in haar zak.[4]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]