misschieten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·schie·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
misschieten
schoot mis
misgeschoten
klasse 2 volledig

Werkwoord

misschieten

  1. inergatief schieten zonder het doel te treffen
    • Hij had helaas met zijn laatste pijl misgeschoten en verloor daarmee net de wedstrijd. 
Vertalingen

Gangbaarheid