mispel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord mispel mispels
mispelen
verkleinwoord mispeltje mispeltjes

Zelfstandig naamwoord

mispel v/m

  1. (plantkunde) een vruchtenboom en drager van de mispel
  2. (fruit) de vrucht van de mispelboom
    • De vrucht van de mispel is bekend omdat deze pas gegeten wordt wanneer deze begint te rotten. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen