mislopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mislopen
liep mis
misgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

mislopen

  1. ergatief niet op de juiste tijd op de juiste plaats zijn om iets mee te maken
    • Hij is door autopech dat prachtige concert misgelopen. 
    • ‘De economie floreert, maar door het tekort aan technisch en it-personeel lopen we orders mis en kunnen we te weinig doen aan innovatie.’ [1] 
  2. ergatief fout aflopen
    • Zijn plannetje liep helemaal mis door die plotselinge sneeuwval. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen