mislezend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • mis·le·zend

Deelwoord

deelwoord
onverbogen mislezend
verbogen mislezende
vervoeging van
mislezen

míslezend onvoltooid deelwoord van mislezen

  1. attributief gebruikt
    • De míslezende leraar zette een dikke streep door het huiswerk. 

Deelwoord

deelwoord
onverbogen mislezend
verbogen mislezende
vervoeging van
mislezen

mislézend onvoltooid deelwoord van mislezen

  1. attributief gebruikt
    • Een zich mislézende apotheker kan groot onheil stichten. 

Werkwoord

vervoeging van
mislezen

mislezend

  1. onvoltooid deelwoord van mislezen