misleid
Uiterlijk
- mis·leid
- vervoeging van misleiden: de stam zonder -d omdat de stam al op -d eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel
| vervoeging van |
|---|
| misleiden |
misleid
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van misleiden
- Ik misleid.
- gebiedende wijs van misleiden
- Misleid!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van misleiden
- Misleid je?
| vervoeging van: | misleiden… |
| verbogen vorm: | misleide |
misleid
- voltooid deelwoord van misleiden
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | misleid | misleider | misleidst |
| verbogen | misleide | misleidere | misleidste |
| partitief | misleids | misleiders | - |
misleid
- van een persoon dat hij is voorgelogen
- Het woord misleid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Voltooid deelwoord gelijk aan stam (zonder ge- -d)
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal