misbruiken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·brui·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
misbruiken
misbruikte
misbruikt
zwak -t volledig

Werkwoord

misbruiken

  1. overgankelijk op een slechte wijze, d.w.z. overdadig gebruik maken van iets (drank, drugs, toegewezen privileges, e.d.)
     Hier praat je over mensen die drugs misbruiken, daardoor ontremder gedrag vertonen en overgaan tot verwervingscriminaliteit: op botte wijze inbreken en overvallen.[1]
    • Hij misbruikte de toegang die hij uit hoofde van zijn functie tot deze gegevens had. 
  2. overgankelijk (pregnant) (iemand) op seksuele wijze mishandelen en uitbuiten
    • Hij misbruikte zijn dochter keer op keer. 
  3. overgankelijk op laakbare wijze van iets (macht, naamgeving, positie, e.d.) gebruik maken voor een doel waarvoor het niet bedoeld is
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

misbruiken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord misbruik

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 25-10-2020 Weblink bron Kurt van Es ‘Criminele verslaafde moet hard aangepakt’ in: Het Parool, Amsterdam (23 maart 1991), p. 4 op Delpher.nl op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be