misbruiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·brui·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
misbruiken
misbruikte
misbruikt
zwak -t volledig

Werkwoord

misbruiken

  1. overgankelijk op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
    • Hij misbruikte de toegang die hij uit hoofde van zijn functie tot deze gegevens had. 
  2. verkrachten (sexueel misbruik)
    • Hij misbruikte zijn dochter keer op keer. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

misbruiken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord misbruik

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.