misbruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·bruik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord misbruik misbruiken
verkleinwoord misbruikje misbruikjes

Zelfstandig naamwoord

misbruik o

  1. het laakbare gebruik van iets voor een doel waarvoor het niet bedoeld was
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
misbruiken

misbruik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van misbruiken
    • Ik misbruik. 
  2. gebiedende wijs van misbruiken
    • Misbruik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van misbruiken
    • Misbruik je? 

Verwijzingen