misbruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·bruik
enkelvoud meervoud
naamwoord misbruik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

misbruik o

  1. het laakbare gebruik van iets voor een doel waarvoor het niet bedoeld was
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
misbruiken

misbruik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van misbruiken
    Ik misbruik.
  2. gebiedende wijs van misbruiken
    Misbruik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van misbruiken
    Misbruik je?