misboek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

misboek
Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·boek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord misboek misboeken
verkleinwoord misboekje misboekjes

Zelfstandig naamwoord

misboek o [1]

  1. (religie) het boek waarin de liturgische gebeden voor de mis staan opgetekend
    • In het altaarmissaal of misboek staan in de rooms-katholieke kerk de liturgische gebeden voor de mis. Het exemplaar van de Ariënsgedachteniskerk stamt uit 1929. De kerk is gesloten, daarom worden allerlei voorwerpen verkocht of weggegeven. [2] 
    • Een prachtige miniatuur van Maria Magdalena, omringd door een uitzonderlijk uitvoerige cyclus van scènes uit haar leven staat in een handgeschreven misboek uit omstreeks 1475, dat was bestemd voor het aan de heilige gewijde gilde in Brugge. [3] 
    • Geen feit is lezers, luisteraars en kijkers onthouden. Maar over de gewonden vernam je weinig. Wat hádden die 82 Verletzten van dit jaar en die 33 Verletzten van vorig jaar? Er is bijna niets over te vinden. Niet in de kranten, niet op internet. YouTube laat filmpjes zien van aanstormende ambulances, van brancards die worden klaargezet en van lachende mensen die ziekenwagens door de modder duwen, maar van de gewonden: niets. Wat hádden die? Waren er baarden weggerukt en hoofden gespleten? Ontbraken er ledematen? Was kleding verbrand, waren misboeken uit handen geslagen? [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen