misbaar
Uiterlijk
- mis·baar
het misbáár o
- met veel misbaar: in overmatige mate ergens een probleem van makend. (met luid geschreeuw en veel lawaai)
- Met veel misbaar gaf hij uiteindelijk toch gevolg aan die opdracht.
- misbaar maken: in overmatige mate ergens een probleem van maken
- luid schreeuwen, klagen, of lawaai maken
- Naamwoord van handeling van missen met het achtervoegsel -baar
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | misbaar | misbaarder | misbaarst |
| verbogen | misbare | misbaardere | misbaarste |
| partitief | misbaars | misbaarders | - |
mísbaar
- niet onontbeerlijk, te vervangen.
- Ik kan niet komen, maar gelukkig ben ik misbaar.
2. niet onontbeerlijk, te vervangen
- Het woord misbaar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "misbaar" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ "misbaar" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Klemtoonhomogram in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Achtervoegsel -baar in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %