minuscuul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nus·cuul
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zeer klein’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1929 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen minuscuul minusculer minuscuulst
verbogen minuscule minusculere minuscuulste
partitief minuscuuls minusculers -

Bijvoeglijk naamwoord

minuscuul

  1. zeer klein
    • Het membraan laat alleen minuscule deeltjes door. 
    • Ze droeg een bikini met een minuscuul bovenstukje. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen