minuscuul

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nus·cuul
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen minuscuul minusculer minuscuulst
verbogen minuscule minusculere minuscuulste
partitief minuscuuls minusculers -

Bijvoeglijk naamwoord

minuscuul

  1. zeer klein
    • Het membraan laat alleen minuscule deeltjes door. 
    • Ze droeg een bikini met een minuscuul bovenstukje. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.