minste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·ste

Bijvoeglijk naamwoord

minste

  1. verbogen vorm van de overtreffende trap van weinig

minste

  1. verbogen vorm van de overtreffende trap van min

minste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van minst

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.


Noors

Woordafbreking
  • mins·te

Bijvoeglijk naamwoord

minste, m / v / o / mv

  1. bepaalde vorm enkelvoud en meervoud van de overtreffende trap van liten


Nynorsk

Woordafbreking
  • mins·te

Bijvoeglijk naamwoord

minste, m / v / o / mv

  1. bepaalde vorm enkelvoud en meervoud van de overtreffende trap van liten