minimaliseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·ni·ma·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
minimaliseren
minimaliseerde
geminimaliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

minimaliseren

  1. overgankelijk zo klein mogelijk maken, als onbeduidend voorstellen
    • Hij is te bescheiden, als hij zijn rol minimaliseert. 
    • De nieuwe betaalkaart moet de kans op fraude minimaliseren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.