minigolf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·ni·golf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord minigolf
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

minigolf o

  1. een sport en een populaire vakantiebezigheid. De bedoeling is een parcours van 18 holes met zo min mogelijk slagen af te leggen. Het spel is een variant op golf, met het verschil dat bij golf grote afstanden moeten worden overbrugd en met midgetgolf slechts enkele meters
    • - Minigolf is midgetgolf voor profs. Superprofs. Daags voor het EK waren de delegaties al bezig om alle achttien holes tot in perfectie (hole-in-one) te oefenen. Omdat elke baan een ander baltype vereist, van de ‘3d 183’ tot de ‘Reisinger 98/2’, had elke prof een koffer met honderd verschillende ballen mee. Eén speler in het circuit had achthonderd verschillende ballen mee. Speciale klimaatkoffers moesten de ballen op de juiste temperatuur houden. De organisatie zorgde intussen voor tentbespanning over de holes, om hinder van dennennaalden te voorkomen.[1] 
    • - Voor het rijke volk dat aan de andere kant van de weg aan de Vinkeveense plassen huist, hebben de autoriteiten een geluidsscherm opgetrokken. Daar kunnen ze nu in huis zonder radio aan, maar aan onze kant is het afzien. Wanneer Vestdijk hier zou wonen, moest hij wel twee stofzuigers aanzetten om ongestoord De rimpels van Esther Ornstein uit zijn pen te krijgen. Geld voor een eigen geluidswal hebben we niet, zeker niet nadat voor 2 miljoen de mooie, landelijke provinciale weg, met 23 drempels tot een parcours is omgebouwd dat geschikter is voor minigolf, dan voor normaal gebruik met een automobiel. Toch moet er een oplossing zijn. De techniek staat immers voor niets? [2]  
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC 12 augustus 2013
  2. NRC Jan Godschalk 13 maart 1995