miniatuur
Uiterlijk
- mi·ni·a·tuur
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleine geschilderde illustratie’ voor het eerst aangetroffen in 1612 [1]
- [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | miniatuur | miniaturen |
| verkleinwoord | miniatuurtje | miniatuurtjes |
de miniatuur v
- Een model, een hanteerbare weergave. In het geval van een miniatuur: een verkleinde weergave.
- ▸ Algauw gingen ze over in strelingen, en die strelingen werden het onmiskenbaar koppeltjeduikelen van een mens in miniatuur.[3]
- ▸ Als ze het pakje openmaakt, ziet ze dat er maar één miniatuur in zit.[4]
- ▸ In elke kamer staat een miniatuurtje van de miniatuur die zij heeft ontvangen: de groene stoelen, de luit, de wieg.[4]
- Het woord miniatuur staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "miniatuur" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "miniatuur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ miniatuur op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
- 1 2 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be