minderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
minderen
minderde
geminderd
zwak -d volledig

Werkwoord

  1. overgankelijk in gebruikte of toegepaste hoeveelheid laten afnemen
     Vlees minderen om gezondheidsredenen is niet noodzakelijk, zegt een nieuwe richtlijn die maandag gepubliceerd is in het medisch wetenschappelijke tijdschrift Annals of Internal Medicine.[1]
     Hoe kan ik in mijn eigen huishouden plastic minderen?[2]
     De meeste richtlijnen voor het stoppen met roken schrijven al voor dat mensen het beste acuut kunnen stoppen. (…) In de praktijk kiezen veel rokers er echter voor om via minderen te proberen van hun verslaving af te komen.[3]

Zelfstandig naamwoord

minderen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord mindere
     Wereldwijd racisme De mens bedenkt al heel lang redenen om ‘minderen’ hun plaats te wijzen.[4]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 15 maart 2021 Weblink bron Sander Voormolen “Rel om vleesadvies dat kankerrisico bagatelliseert” (30 september 2019) op nrc.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 15 maart 2021 Weblink bron Rosan Hollak “Iedereen kan thuis iets aan de plasticsoep doen” (29 mei 2018) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 15 maart 2021 Weblink bron “Stoppen met roken: in één keer werkt beter dan eerst minderen” (15 maart 2016) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 15 maart 2021 Weblink bron Dirk Vlasblom “Hoe sorteren van de soort uitdraaide op rassenwaan” (17 november 2017) op nrc.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be