mindere

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·de·re
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mindere minderen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mindere v/m

  1. een persoon die lager in rang staat of minder geschikt is
    • Als bediende is hij de mindere van de directeur. 

Bijvoeglijk naamwoord

mindere

  1. verbogen vorm van de vergrotende trap van weinig

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.