mindere

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·de·re
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mindere minderen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mindere v/m

  1. een persoon die lager in rang staat of minder geschikt is
    • Als bediende is hij de mindere van de directeur. 
     Hebt u het portret gezien boven de haard? U herkent zonder twijfel de markante en nobele trekken van Niccoló Paganini. Ik zal de eerste zijn om uw gelijk te beamen wanneer u zegt dat het in schilderkundig opzicht geen meesterwerk betreft. Het is gemaakt door een brave, mindere meester, die er zelfs in zijn tijd niet om bekendstond dat hij zijn tijd vooruit was.[1]

Bijvoeglijk naamwoord

mindere

  1. verbogen vorm van de vergrotende trap van weinig

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 15