mikmak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mik·mak
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rommel’ voor het eerst aangetroffen in 1823 [1]
  • uit het Frans micmac [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord mikmak mikmakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mikmak m [3]

  1. grote rotzooi, ongeordende massa
    • Hij heeft de hele mikmak maar achter in zijn auto gesmeten en is weggereden. 
    • Het overgrote deel van de Turks-Nederlandse jongeren zou religieus geweld steunen en sympathie hebben voor Syriegangers. Kan niet kloppen, riepen Turkse jongeren. Ook onderzoekers geloofden er niks van. Zelfs Motivaction had vervolgonderzoek geadviseerd voordat de resultaten wereldkundig gemaakt zouden worden. Het was immers alleen een verkennend onderzoek. Maar Asscher wilde niet wachten en bracht de resultaten naar buiten, met zijn reactie eraan vastgeniet. Hij noemde de cijfers verontrustend, maakte zich zorgen, de hele mikmak. Voor bij wie nog geen belletje rinkelt: dit was deels de reden waarom PvdA-Kamerleden Kuzu en Öztürk uit de partij stapten. Asschers werkwijze roept nogal wat vragen op. Argos Medialogica weidde er een volledige uitzending aan. Daarin laat Asschers departement weten dat de minister zijn reactie met het rapport meestuurde omdat hij een hype wilde voorkomen. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen