mida

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·da
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mida midot
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mida v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) maat
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) eigenschap
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
medir

mida

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van medir
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van medir
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van medir
vervoeging van
medirse

mida

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van medirse
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van medirse
  3. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van medirse