mi-temps
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| mi-temps | la mi-temps | mi-temps | les mi-temps |
mi-temps v
- (sport) speelhelft [2]; helft; een van de twee helften van een sportwedstrijd (gescheiden door de rust)
- «la seconde mi-temps»
- de tweede helft
- «la seconde mi-temps»
- (sport) rust, onderbreking van een sportwedstrijd (bv. voetbal)
- ↑ mi-temps (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.