meuzelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

meu·ze·len

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meuzelen
meuzelde
gemeuzeld
zwak -d volledig

Werkwoord

meuzelen

  1. smakelijk eten met kleine stukjes tegelijk
    • Ze meuzelde de hele dag, maar liet het avondeten staan. 

Gangbaarheid