meurtrir
Uiterlijk
- via Middelfrans meurtrir, Oudfrans murtrir "vermoorden" van Oudfrankisch *murthrjan "vermoorden", cognaat met Nederlands moorden en Duits morden; de betekenisverandering van "moorden" naar "kneuzen" vond plaats in de 16de eeuw [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| meurtrir |
meurtrissais |
meurtri |
| tweede groep | volledig | |
meurtrir
- overgankelijk kneuzen
- overgankelijk (van fruit) beschadigen; kneuzen; kwetsen
- ↑ meurtrir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.