mestkar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

mestkar volgeladen met mest
Uitspraak
Woordafbreking
  • mest·kar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mestkar mestkarren
verkleinwoord mestkarretje mestkarretjes

Zelfstandig naamwoord

mestkar v/m [1]

  1. een kar waarmee mest vervoerd kan worden
    • De polarisatie neemt toe. Op social media, op straat. "Groepen worden apart gezet. Kijk naar de sociale media. De mestkar rijdt door de straat. Met een zinnig gesprek heeft het niets van doen. Als mensen daarmee niet ophoudt, worden woorden daden.[2] 
    • 'Ik was een tijdlang zoekende, voor ik dit boek schreef. Mensen zeiden tegen me: schrijf gewoon zo'n Helaasheid-der-dingen-achtig boekje, pedofiele priester erbij, gevoos in de hooiberg, iemand die van de mestkar valt, fanfare, huppekee. De personages zeggen amai en awel, en iedereen inclusief familie doet het met elkaar. Nederlandse lezers smullen daarvan. Goed, dacht ik, dan ga ik die karikatuur uitdagen. Dus speelt mijn boek zich af in een dorp dat zich afscheidt van België, onder aanvoering van een héle dikke man.'[3] 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • men wordt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden
nette mensen beledigen anderen niet
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 06-MAART-2016
  3. Volkskrant SARA BERKELJON FOTO DANIEL COHEN 3 september 2013,