merel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·rel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord merel merels
verkleinwoord mereltje mereltjes

Zelfstandig naamwoord

merel v/m

  1. (vogels) Turdus merula op Wikispecies, een zwarte zangvogel met een gele snavel die familie is van de lijster
    • Wij hebben de laatste tijd veel merels in de achtertuin. 
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

merel

  1. (vogels) Turdus merula op Wikispecies merel

Meer informatie