Naar inhoud springen

merdes

Uit WikiWoordenboek

merdes v mv

  1. (spreektaal) narigheid, shit
    «Ces dernières vacances, j'ai eu que des merdes
    Afgelopen vakantie heb ik alleen maar rottigheid gehad. [1]

merdes v mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord merde
vervoeging van
merder

merdes

  1. tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van merder
  2. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van merder