mensenmenigte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een feestvierende mensenmenigte
Uitspraak
Woordafbreking
  • men·sen·me·nig·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mensenmenigte mensenmenigtes
mensenmenigten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mensenmenigte v [1]

  1. een grote mensenmassa
    • De mensenmenigte werd hoe langer hoe groter en enthousiaster. De Palettanen waren bijna niet meer te houden van vreugde. [2] 
    • Zeehonden Tommie, Bob, Seabert en Jerry zijn woensdagmiddag onder grote belangstelling uitgezet op het strand van Ouddorp. Het was wel even spannend, want door de mensenmenigte durfden ze niet zo goed uit de kist te komen. Gelukkig ging de eerste zeehond snel naar buiten, waarna de rest volgde. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 107
  3. Tubantia 19 oktober 2017