menig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]

Onbepaald voornaamwoord

naamwoord
onverbogen menig
verbogen menige

menig

  1. meer dan een
    • Zij sloegen menige aanval af. 
    • De discussie doet in menig dorp de gemoederen hoog oplopen. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen