meier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mei·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meier meiers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meier v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) honderd gulden [3]
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meier meiers
verkleinwoord meiertje meiertjes

Zelfstandig naamwoord

meier m [6] [7]

  1. (geschiedenis) in de vroege middeleeuwen (500-1000 n.C.) een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer, vooral als aanklager en voorzitter met de rechtspraak in een bepaalde streek belast
  2. Na de middeleeuwen verviel de oorspronkelijke bestuurlijke betekenis van het woord en wordt meier gebruikt als ander woord voor pachter, pachtboer
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
meieren

meier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meieren
    • Ik meier. 
  2. gebiedende wijs van meieren
    • Meier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meieren
    • Meier je? 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders
59 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen