meewind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·wind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meewind meewinden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meewind m [1]

  1. beweging van lucht die in dezelfde richting gaat als de richting waarin iets of iemand zich voortbeweegt
     Ze was in La Chauds-de-Fonds al rap in de series met 11,26. In de finale zette ze nog een tandje bij, wel geholpen door meewind. De 1,9 meter per seconde was echter niet te veel en daarmee was haar tijd van 11,13 erkend.[2]
     Het is ofwel meewind ofwel tegenwind maar volgens mij geen zijwind in deze vallei, dus waaiers verwacht ik niet.[3]
  2. (figuurlijk) iets dat ervoor zorgt dat je een doel makkelijker bereikt
     Het orderboek van VolkerWessels liep vol tot een kleine 8,8 miljard euro. Het bedrijf verwacht dan ook dat de economische meewind in de tweede helft van het jaar aanhoudt.[4]
     Luchtvaartmaatschappij Delta Air Lines verloor 5,3 procent. Het bedrijf kwam met zwakke vooruitzichten, ondanks de meewind die het geniet door de stevig gedaalde olieprijzen van de laatste tijd.[5]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Van Hunenstijn spurt naar WK in Doha en Tokio 2020” (30-06-2019), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron wvo, jpdv, bvc, md, vml “Belgische profs beseffen na verkenning dat het weer bepalend zal zijn op WK, al willen ze niet allemaal dezelfde omstandigheden” (26/09/2019), De Standaard
  4. Bronlink Weblink bron “Orders bouwer VolkerWesssels naar record” (30 aug. 2018), De Telegraaf
  5. Bronlink Weblink bron “Bloedrode beursdag op Wall Street” (04 dec. 2018), De Telegraaf