meesturen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

meesturen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meesturen
stuurde mee
meegestuurd
zwak -d volledig
  1. samen met andere zaken iets zenden
    • Als u opmerkingen heeft over de rekening moet u de kassabon meesturen. 
Synoniemen
  1. meegeven, meezenden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be