meepit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·pit
Woordherkomst en -opbouw
  • meepitten zonder de uitgang -en en zonder uitgang -t in de tweede en derde persoon omdat de stam al op -t eindigt

Werkwoord

vervoeging van
meepitten

meepit

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meepitten
    • ... dat ik meepit. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meepitten
    • ... dat jij meepit. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meepitten
    • ... dat hij meepit. 

Gangbaarheid

13 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be