meeluisteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·luis·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meeluisteren
luisterde mee
meegeluisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

meeluisteren

  1. onovergankelijk samen met een ander of anderen luisteren

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.