meelij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

beeltenis van de meelij hebbende en opwekkende Maria
Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·lij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meelij
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meelij o

  1. vorm van empathie, waarbij iemand meevoelt met het lijden van een ander
    • Maar ik leg hem wel uit dat je mensen bij wie in de Nieuwjaarsnacht een oog moet worden verwijderd en/of een paar vingers geamputeerd omdat ze heel dom met vuurwerk hebben gespeeld, keihard mag uitlachen. Meelij? Nee. Waarop de vrouw van de onderduiker zachtjes mompelt: „Die mensen moeten niet zoals jullie Heleen een seksdagboek gaan bijhouden. Want goede seks begint met een tedere knipoog en daarna zijn de vingers zeker zo belangrijk. Alleen dan krijg je vuurwerk.” [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Youp van 't Hek 30 december 2016