meekomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meekomen
kwam mee
meegekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

meekomen

  1. ergatief met iemand ergens heen gaan
    • Hij moest meekomen van de politie. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.