meander

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·an·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rivierbocht’ voor het eerst aangetroffen in 1733 [1]
  • naar de rivier van die naam (thans Menderes) in Klein-Azië
enkelvoud meervoud
naamwoord meander meanders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meander m

  1. naar de tegengestelde richting terugkerende bocht in een rivier
  2. (in het meervoud) randversiering bestaande uit rechthoekige gebroken lijnen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
meanderen

meander

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meanderen
    • Ik meander. 
  2. gebiedende wijs van meanderen
    • Meander! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meanderen
    • Meander je? 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen