maxima

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maxi·ma

Zelfstandig naamwoord

maxima mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maximum

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /maksɪma/
Woordafbreking
  • ma·xi·ma

Zelfstandig naamwoord

maxima

  1. genitief enkelvoud van maximum
  2. nominatief meervoud van maximum
  3. accusatief meervoud van maximum
  4. vocatief meervoud van maximum