matsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
matsen
matste
gematst
zwak -t volledig

Werkwoord

matsen

  1. inergatief het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn
    Als je matst bij je meting ben je geen goede wetenschapper.
  2. overgankelijk iemand onverdiend bevoordelen
    Hij werd duidelijk gematst.


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
63 % van de Vlamingen.