matigen/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van matigen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | matigen | te matigen | ||||||||
| toekomend | zullen matigen | te zullen matigen | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben gematigd | te hebben gematigd | ||||||||
| toekomend | gematigd zullen hebben | gematigd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| matigend | gematigd | ev. matig | mv. verouderd matigt | matige | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | matig | matigt | matigt | matigt | matigt | matigen | matigen | matigen | |||
| verleden (o.v.t.) | matigde | matigde | matigde | matigde | matigde | matigden | matigden | matigden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal matigen | zult/zal matigen | zult/zal matigen | zult matigen | zal matigen | zullen matigen | zullen matigen | zullen matigen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou matigen | zou matigen | zou(dt) matigen | zoudt matigen | zou matigen | zouden matigen | zouden matigen | zouden matigen | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb gematigd | hebt gematigd | hebt/heeft gematigd | hebt gematigd | heeft gematigd | hebben gematigd | hebben gematigd | hebben gematigd | |||
| verleden (v.v.t.) | had gematigd | had gematigd | had gematigd | hadt gematigd | had gematigd | hadden gematigd | hadden gematigd | hadden gematigd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gematigd hebben | zal/zult gematigd hebben | zult/zal gematigd hebben | zult gematigd hebben | zal gematigd hebben | zullen gematigd hebben | zullen gematigd hebben | zullen gematigd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gematigd hebben | zou gematigd hebben | zou/zoudt gematigd hebben | zoudt gematigd hebben | zou gematigd hebben | zouden gematigd hebben | zouden gematigd hebben | zouden gematigd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm gematigd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt gematigd | er is gematigd | |||||||||
| verleden | er werd gematigd | er was gematigd | |||||||||
| toekomend | er zal gematigd worden | er zal gematigd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou gematigd worden | er zou gematigd zijn | |||||||||
| lijdende vorm gematigd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | gematigd worden | gematigd te worden | ||||||||
| toekomend | gematigd zullen worden | gematigd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | gematigd zijn | gematigd te zijn | ||||||||
| toekomend | gematigd zullen zijn | gematigd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word gematigd | wordt gematigd | wordt gematigd | wordt gematigd | wordt gematigd | worden gematigd | worden gematigd | worden gematigd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd gematigd | werd gematigd | werd gematigd | werdt gematigd | werd gematigd | werden gematigd | werden gematigd | werden gematigd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal gematigd worden | zult gematigd worden | zult gematigd worden | zult gematigd worden | zal gematigd worden | zullen gematigd worden | zullen gematigd worden | zullen gematigd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou gematigd worden | zou gematigd worden | zou/zoudt gematigd worden | zoudt gematigd worden | zou gematigd worden | zouden gematigd worden | zouden gematigd worden | zouden gematigd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben gematigd | bent gematigd | bent/is gematigd | zijt gematigd | is gematigd | zijn gematigd | zijn gematigd | zijn gematigd | |||
| verleden (v.v.t.) | was gematigd | was gematigd | was gematigd | waart gematigd | was gematigd | waren gematigd | waren gematigd | waren gematigd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal gematigd zijn | zult gematigd zijn | zult gematigd zijn | zult gematigd zijn | zal gematigd zijn | zullen gematigd zijn | zullen gematigd zijn | zullen gematigd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gematigd zijn | zou gematigd zijn | zou/zoudt gematigd zijn | zoudt gematigd zijn | zou gematigd zijn | zouden gematigd zijn | zouden gematigd zijn | zouden gematigd zijn | |||