massificatie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mas·si·fi·ca·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord massificatie massificaties
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

massificatie v [1]

  1. het massificeren, het massaal maken

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen