maskerachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mas·ker·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen maskerachtig maskerachtiger maskerachtigst
verbogen maskerachtige maskerachtigere maskerachtigste
partitief maskerachtigs maskerachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

maskerachtig

  1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van een masker
    • Een patiënt met de ziekte van Parkinson kan een maskerachtig gelaat hebben zonder veel uitdrukking. 
Synoniemen

Gangbaarheid