marode

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ro·de
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord marode
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

marode v [2]

  1. een vervelende toestand
  2. op marode gaan: aan de boemel gaan
     Pietje de dood trok de voorbije maanden op marode door Gent. Magere Hein heeft met de spreekwoordelijke zeis eigenzinnige en unieke figuren uit het culturele leven van de Arteveldestad weggemaaid.[3]
  3. in marode zitten: in de problemen zitten
Synoniemen

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
30 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. marode op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron YVES T'SJOEN “"Dag ventje op de vaas met de bloem ploem ploem": saluut voor een homme révolté” (27 december 2014), De Morgen
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be