Naar inhoud springen

marmeren

Uit WikiWoordenboek
  • mar·me·ren
  • afgeleid van marmer met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
marmeren
marmerde
gemarmerd
zwak -d volledig

marmeren [1]

  1. overgankelijk zodanig behandelen dat iets op marmer gaat lijken
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

marmeren [2]

  1. van marmer gemaakt of daarmee bekleed
     De gang blijkt te zijn getransformeerd tot een immense ronde ruimte met marmeren zuilen, zoals een tempel uit de oudheid.[3]
     ' Lucas gaat op een witte marmeren tegel zitten en blijft naar haar kijken, maar Thea kan niet tegen zijn liefdevolle aandacht.[4]
    • Ik had hem van een afstand al zien zitten op de marmeren trappen van het bordes voor de ingang, die was geflankeerd door Korinthische zuilen, onder de gouden letters waarmee de naam van Grand Hotel Europa was geschreven, toen de taxi knarsend over het grindpad tussen de platanen het einde begon te naderen van de lange oprijlaan. [5] 
95 %van de Nederlanders;
91 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  5. Pfeiffer, Ilja Leonard
    "Grand Hotel Europa" 2018 ISBN 978-90-295-2622-7 pagina 11
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be