markies

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·kies

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord markies markiezen
verkleinwoord markiesje markiesjes

markies m

  1. (adel) adelijke titel
  2. (adel) heer van een markiezaat
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie