markies

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·kies
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zonnescherm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1649 [1]
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [2]

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord markies markiezen
verkleinwoord markiesje markiesjes

markies m

  1. (adel) adelijke titel
  2. (adel) heer van een markiezaat
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen