marketeer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ke·teer
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord marketeer marketeers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

marketeer m

  1. (bedrijf) (beroep) medewerker die zich bezighoud met de verkoop, het aanprijzen van producten van een bedrijf en het onderzoeken van de behoeften van de consumenten
    • Maar Kubrick kreeg gelijk. Evoluties gaan trager dan men meestal denkt. Ten tijde van de oliecrisis in de jaren zeventig was het uiterlijk van auto’s hoekig en scherp gesneden. Hoewel het meteen duidelijk was dat vanaf nu zuinigheid en dus luchtweerstand de hoofdrol kregen, ten koste van ongegeneerd motorvermogen, duurde het toch nog bijna twintig jaar eer de modellen met echte vloeiende ronde lijnen op de markt kwamen. De marketeers wisten dat je de mensen langzaam moet laten wennen.Ook als we vernieuwend willen doen, dragen we ons verleden mee.[1] 
    • De een moet er hard om lachen, de ander vindt het helemaal niks zo blijkt uit de reacties. ‘Hebben jullie ook een Nederlandse versie?’, andere Twitteraars spreken van stereotypering. ,,Dit staat los van nationaliteit of stereotypering. We willen jongeren aanspreken”, verklaart bedenker en online marketeer Giovanni Zebeda, die zelf een Surinaamse achtergrond heeft. ,,Tijdens krapte op de arbeidsmarkt wil je wat ludieks doen.”[2] 
Hyponiemen
Verwante begrippen


Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Standaard 09/08/2017 door Pieter Van Dooren
  2. NRC Simone van Zwienen 24-05-2017