markeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘merken’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Franse marquer (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
markeren
markeerde
gemarkeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

markeren

  1. overgankelijk het afbakenen van een grens
    • Zij waren bezig de vluchtstrook met een ononderbroken witte lijn te markeren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen