markeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
markeren
markeerde
gemarkeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

markeren

  1. overgankelijk het afbakenen van een grens
    • Zij waren bezig de vluchtstrook met een ononderbroken witte lijn te markeren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen