marde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·de
Woordherkomst en -opbouw
  •  mar ww  met de uitgang -de

Werkwoord

vervoeging van
marren

marde

  1. enkelvoud verleden tijd van marren
    • Ik marde. 
    • Jij marde. 
    • Hij, zij, het marde.