maquiller
Uiterlijk
- kreeg in de 19de eeuw de betekenis van "aanbrengen van make-up"; afleiding uit het Picardisch argot met het achtervoegsel -iller van het Picardisch werkwoord maquier "maken; doen"; een leenwoord van het Nederlands maken ww [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| maquiller |
maquillais |
maquillé |
| eerste groep | volledig | |
maquiller
- (cosmetica) maquilleren; aanbrengen van make-up
- ↑ maquiller (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.