mansarde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·sar·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zolderkamertje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord mansarde mansarden
mansardes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mansarde v / m [3]

  1. zolderkamertje
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen